Utljochte finsters

Nieuwe foto's toegevoegd Gunnar werd geboren op 15 maart 1939 in het Limburgse Plasmolen en vestigde zich in de jaren ’70 in Easternijtsjerk. Hij vertelt in interviews dat zijn fascinatie voor architectuur terugvoert naar zijn ouderlijk huis, een sleets bessensapkleurig Palladiaans buitenhuis op een heuvel in een Engelse landschapstuin.  In een lijst van door hem uitgevoerde werken zien we een restauratie van een steenoven-woonhuis in 1972 als eerste werk staan in Nieuwerkerk aan de IJssel. Andere ontwerpen op zijn naam zijn o.a.: Crystalic in Leeuwarden, het Carillon in Drachten, gemeentehuizen in Dokkum en Zuidhorn, de uitbreiding van het Fries Museum en het Aquaverium bij Grou. Maar hij tekende vooral woonhuizen. Hij maakte ontwerpen passend in de omgeving, zodat er oog kwam voor die omgeving die opwaardering verdiende.  In Easternijtsjerk gaf Gunnar Daan april 1995 een voorzet voor een opwaardering van de kern van het dorp. Met een presentatie op de Expo in 1996 werden zijn ideeën getoond en ideeën en reacties van dorpsbewoners werden geschreven in een commentaarboek. Gunnar zag dat individuele bewoners hun best deden hun huis en hof zo goed mogelijk te tonen, maar de openbare ruimte lag er haveloos en onverzorgd bij. Het plan “Nijsgjirrich nei in nij Easternijtsjerk” was een aanzet tot discussie en ontwikkeling. Er werd gelet op historie, karakter van het dorp, beleving, gebruik, maar ook veiligheid speelde een rol. Gunnar gaf delen van het dorp beeldend weer als ‘de hal van het dorp’, ‘de groene landweg’ en ‘de woonkamer met amphitheatertrappen’. De prachtige schetsen van elk onderdeel van opwaardering maakten bijna iedereen enthousiast. Het plan vroeg om doorzettingsvermogen en volharding om het juiste karakteristieke materiaal te krijgen en de benodigde gelden, maar het lukte. Gunnar Daan zorgde ook, samen met Oane van Driesum voor de bonus op het project; de ‘dorpsbank’ van cortenstaal. Hij maakte verder een ontwerp voor en deelde zijn ideeën over De Fiver en de toegang tot 't Oogh.  Gunnar Daan publiceerde verschillende werken; hij schreef in 2001 met Dieuwke van Ooij het boek ‘Een eigen aardig huis’, waarin ze laten zien en vertellen over het proces bij de bouw van twaalf eigenzinnige woningen. Huizen die elk op hun eigen manier iets zeggen over de opdrachtgevers. Soms in een woonwijk, op een boerenerf, een werkhuis en vakantiehuis. Maar altijd passend bij de bewoners, hun manier van leven en hun visie op de omgeving of de wereld. De architect die zich inleeft en verbeeldt. Als zijn beste project noemde hij Galerie / woonhuis Waalkens te Finsterwolde. Het Driemaandelijkse Tijdschrift voor architectuur wijdde een nummer aan Gunnar Daan in 1991. Zijn architectenbureau Gunnar Daan Architektuur was vanaf 1972 gezeteld in Easternijtsjerk en vanaf 2004 in Burdaard als GDA architecten. Gunnar Daan had landelijke bekendheid als architect, maar in de jaren negentig was hij ook hoogleraar aan de TU Delft. Hij was docent op de HTS Leeuwarden en op de Akademie van Bouwkunst te Groningen. Gunnar was tevens een gewaardeerd tekenaar.  Gunnar en Els Daan-van Brink begonnen op een woonschip in de buurt van Capelle aan de IJssel. Daarna woonden ze een aantal jaren met een broer en schoonzus op een boerderij in Moarre-Ljussens ‘Lyts Huistra State’. Grootvader Daan was gemeentesecretaris in Ternaard en sprak over “in gaadlik plakje”.  Rond 1975 kwamen ze wonen op ‘Donia Sathe’ aan de Ropsterwei. Gunnar en Els Daan kregen vier kinderen.  Gunnar was eigenzinnig en daardoor vernieuwend. “Hij hechtte meer aan waardering van zijn collega’s dan aan die van het publiek. Hij was een man van weinig woorden, maar met een bedachtzame, zelfverzekerde doortastendheid; een karaktereigenschap die een grote verscheidenheid aan werk opleverde.“ (Forum 35/3, Frank Wintermans 1991).  Hij overleed op 30 oktober 2016 in Easternijtsjerk op 77-jarige leeftijd. Het afscheid vond plaats in de boerderij aan de Ropsterwei op de wijze die paste bij zijn levensstijl en werk.  Tekening: De Woonkamer van Easternijtsjerk, Gunnar Daan

In de Dockumer Courant van 23 augustus 1904 stond het volgende stukje over ons dorp.  23 aug. Metslawier  Wie thans in het naburige Nijkerk komt, zal al heel spoedig ontwaren, dat er zich eene allesbehalve aangename geur door het dorp verspreidt.Vlasroten schijnt daarvan de oorzaak te zijn. Men houde het mij wel ten goede wanneer ik alsdan ga beweren, dat er teveel gebruik van dat roten wordt gemaakt. Immers wanneer in een vaarwater als dit, dat pas een jaar geleden is geslat en verwijd, één of hoogstens twee maal werd geroot, dit zoude het water niet in zulken staat hebben gebracht (of kunnen brengen) als waarin het nu verkeert. De daarbijwonenden moeten zich helaas in een atmosfeer bewegen, die zeker schadelijk geacht kan worden voor de gezondheid. En het leggen van een plank, welke bij het vlas uithalen dient te worden gebruikt, heeft bovendien bijna een menschenleven gekost. Een jongetje van 4 jaar zich daarop begevende geraakte Zaterdagavond te water, en is meer dood dan levend daaruit op het droge gebracht door den dienaar van poltie F (= Frans) Wijnia, die na een uur ongeveer de vereischte methode op drenkelingen had toegepast, de voldoening mocht smaken, het kind van een anders wisse dood te redden. Naar men verneemt heeft het kind nog al iets van dat walgelijke water ingekregen, waardoor het onder geneeskrachtige behandeling moest worden gesteld.  Twee maanden later staat er in de krant van 30 november 1904 een vervolg op deze gebeurtenis.30 november.Deze dagen viel de dienaar van politie F. Wijnia te Nijkerk, de onderscheiding ten deel, dat hij werd begiftigd met de gouden medaille, uitgereikt vanwege de Vereeniging tot Redding van Drenkelingen. Om uit te leggen hoe dat ‘vlasroten’ in z’n werk ging, schreef Lieuwe Jousma in twee afleveringen van De Doarpsskille over de verbouw en verwerking van vlas. Zijn verhaal speelt rond 1920! Het wordt hier gedeeltelijk weergegeven.Over het zaaien:‘De zaaier had een beddelaken om de hals vastgeknoopt met op middelhoogte de vorm van waaruit hij het zaad strooide. En zo werd het hier toen ook nog wel gedaan door Jacob Thomas Holwerda van Trijehuzen, die bekend stond als zeer vakbekwaam. Hij deed hele grote stappen en bij iedere stap strooide hij een handvol zaad. Hij stuurde het zaad met de lange vingers van de hand, om het zo gelijk mogelijk over het land te verdelen. Een opvallend gezicht met dat witte laken. Er waren er ook die het zaad met de viool strooiden. Een bakje met riemen om de hals vast en onder in dit bakje een opening. Hier stak een stok doorheen, de strijkstok, die men net als bij een gewone viool heen en weer trok, zodat het zaad in het bakje over het land werd verdeeld.Over het wieden:Na de opkomst begint niet alleen het zaad boven te komen, maar ook het onkruid komt. En dan moest er gewied worden, dan kwamen jongens, meisjes of vrouwen het onkruid er met de handen of ook wel met een mesje uithalen. De klompen moesten uit, niet op de knieën, maar krom staande, zodat er zo weinig mogelijk stengeltjes beschadigd werden. Over het oogsten:Na de bloeitijd als de bloemen tot zaadknoppen zijn geworden, komt de tijd dat het vlas uit de grond moet. Men ging dat trekken, een bosje werd de arm om geslagen om scheiding te maken en met de hand uit de grond getrokken, een tikje op de knie, zodat de klei van de wortels af viel. Deze bosjes werden schuin over elkaar gelegd tot een stapeltje.Was het perceel getrokken, dan moest het zaad, de knoppen van de stengels, verwijderd worden. Dit gebeurde door te ‘roepeljen’: het vlas werd tussen lange driehoekige ijzers getrokken, zodat de knoppen op het onder de roepelbank gelegen kleed vielen.Over het roten:Was dit werk afgelopen, dan moest het vlas geroot worden. Met een wagen werd het naar een sloot met veel water gebracht. Hier werden de schoven zo dicht mogelijk in elkaar gelegd. Er kwamen balken en planken bovenop. Hier werden weer graszoden op gelegd, zodat alles zo goed mogelijk onder water kwam. Dit rotten was nodig om het binnenste van de stengels, het hout, bros te maken, zodat het in de winter met het bewerken wou breken. Dit moest ongeveer een dag of 7 – 9 in het water. Het gerotte vlas werd weer in schoven op het land gezet om te drogen en na een dag of wat worden omgezet. Een paar dagen later moest het binnenste naar buiten gebracht worden, een onaangenaam werkje; ‘omstoekje’ noemde men dat. In het braakhok:In de winter werd het vlas door arbeiders verder bewerkt. Eerst werden de stengels met een zwaar blok gebeukt, dus plat geslagen, en met een houten braak bewerkt zodat het hout (het binnenste van de stengel) gebroken was. De rest werd er nog uitgehaald met een ijzeren braak. Het handvat drukte men omhoog, sloeg het vlas ertussen en drukte het bovenste deel weer naar beneden, trok het vlas er tussendoor, net zolang tot alle hout er uit was getrokken.Brandgevaar:Een eigenschap van vlas is dat het gauw vocht aantrekt en dat maakt het bewerken, vooral bij nat en mistig weer nogal moeilijk. Het wou niet breken. Men vond daar wel weer iets op. Er werd een droogbak gebruikt, met doorgebrande, gloeiende turven, waarover een rooster werd gelegd. Daar kwamen de onbewerkte schoven overheen om te drogen. Dit was wel verboden wegens het brandgevaar. Op het Ald Tún woonde het gezin Geert Braaksma, de grootvader van Johannes Doedes Rijpstra. Deze Braaksma (met zijn toepasselijke familienaam!!) ging op een zeer mistige maandagmorgen gebruik maken van de droogbak. De man ging even koffie drinken in huis, maar toen hij zijn werk wilde vervolgen, had het vlas al vlam gevat. Om verdere uitbreiding van de brand te voorkomen, waagde hij zichzelf in het vuur in een poging de brand te blussen. Maar het resultaat was, dat hij zoveel brandwonden had opgelopen dat hij in het ziekenhuis in Leeuwarden overleed.

Het is de bedoeling om op deze plek elke week een bericht uit (heel) oude kranten te plaatsen, de geschiedenis van Easternijtsjerk betreffende. Leeuwarder Courant, 6 augustus 1821Liefhebbers van kaatsen.Met consent van den heere Grietman van Oostdongeradeel, gedenkt de kastelein J.(=Jan) Bakker te Nijkerk, op Maandag den 6 Augustus eerstkomende, des nademiddags precies ten twee uren, te laten verkaatsen:Een extra mooije ZILVEREN TABAKSDOOS, tot een prijs, en twee ZILVEREN CACHATTEN tot eene premie.(Jan Bakker was kastelein in de oudst bekende herberg van ons dorp: De Buorren 11. De monniken van Mariëngaarde waren al sinds het ontstaan van Easternijtsjerk daar aanwezig: De Herberghe van Nykerk) Leeuwarder Courant, 11 augustus 1823Met consent van den heer Grietman van Oostdongeradeel, gedenkt de kastelein J.(=Jan) Bakker, te Ooster-Nijkerk, op Maandag 11 augustus 1823, te laten verharddraven:Een extra fraai CHAIS-GEREID, JAAGLIJN en TOOM, waarop alle Paarden zullen worden toegelaten, tot genoegen der Keurmeesters, en die geen Prijs of Premie hier of elders gewonnen hebben.De harddraverij zal precies ten twee uren na den middag beginnen. En op denzelven dag des voormiddags ten elf uren, te laten verkaatsen en vrij te vereeren:Een ZILVEREN BAL. De Intekenaars die daarop willen kaatsen, precies ten tien uur present moeten zijn. Leeuwarder Courant, 24 juli 1824Met consent, gedenkt J. Bakker te Ooster Nijkerk, op Zaterdag den 24 Julij 1824, des voormiddags ten elf uur precies, te laten verkaatsen:Een ZILVEREN BAL, en eene Premie volgens conditiën; en des namiddags ten twee uren te laten verharddraven:Eene extra voluit gemonteerde ZILVEREN ZWEEP, door Paarden, die geen Stadsprijs of Premie, en alhier geen Zilver hebben gewonnen, en tot genoegen der Keurmeesters. Zullende des Zondags, den 25 dito, des nademiddags ten 4 uren, een Prijs van Zilver worden vereerd, aan diegene, die in de minste minuten, veertig Talhouten kan uitbrengen, ieder hout 942 Strepen van elkander.(talhout is uit dunne takken en stammen gesneden aanmaakhout) Memoriaalboeck der vroedvrouwen te DoccumHet jaar 1711De 10 feberwarij ben ick tot nijkerk gehalt bij Waatze Jennes sijn wijf Aaltie Joukes. Hebbe haar verlost van een brave ionge dochter, nadat het in de derde dag geduurt hadde en de vrootvrouw van Morre gaf het over en dockter van den berg dy met har om suckelden mar de heere sij geloofft en gedanckt nae een uhre of 3 hebbe  (ick) har door des heeren seegen en godelicken bijstant wel verlost.(Wikipedia schrijft over Catharina Schrader:In een praktijkjournaal van ruim vijfhonderd folio's deed Catharina Schrader van 9 januari 1693 tot 7 februari 1745 in telegramstijl verslag van duizenden verlossingen, eventuele complicaties en de afloop voor moeder en kind. Haar aantekeningen vormen een uniek document dat van groot belang is voor de kennis van het vroedvrouwschap in vroeger 

Nieuwe foto's toegevoegd Eigenlijk is dit het tweede gebouw (naast de grote kassencomplexen bij de Ropstermûne) dat bij kweekbedrijf Ropta HZPC hoort. Het onlangs (2025) geheel vernieuwde gebouw aan het einde van de Ropsterwei, afslag Mitselwier. Wordt dát gebouw gebruikt om onderzoek te doen en nieuwe rassen aardappelen te ontwikkelen, Sippenburch wordt vooral gebruikt om die nieuwe rassen te verbouwen en uit te proberen.In de zomer van 1988 werd de stjelp afgebroken die op deze plek stond. Er werd een nieuwe woning voor in de plaats gebouwd, alweer de derde woning op deze zelfde plek. Voorheen was dit allemaal bouwland.1876. In dit jaar kwam daar verandering in toen Sippe Baukes Elzinga, arbeider uit Easternijtsjerk, op dit lapje grond een stjelp liet bouwen. Hij leent daarvoor f 600,- van notaris Feenstra in Mitselwier. Voorheen behoorde deze grond bij de boerderij Lyts Ropta onder Mitselwier. Mogelijk is de naam van deze boerderij ook afkomstig van de eerste bewoner. Sippe Elzinga had namelijk een groot gezin en misschien werd daarom de boerderij, een beetje gekscherend, ‘Sippenburch’ genoemd. Een andere mogelijkheid is dat het een verschrijving is van de Lip, de naam van een stuk land aan de andere kant van de weg. De Lip wordt al genoemd bij de verkoop van Ropta State in 1731.Sippe Baukes Elzinga is niet lang eigenaar van deze nieuwe boerderij geweest want al in 1881 verkoopt hij de stjelp aan Hendrik van der Veen, de klerk van notaris Feenstra in Mitselwier. Sippe Baukes heeft het in die jaren erg moeilijk, verliest enkele kinderen en zijn vrouw in 1878 en komt zelf in 1879 in de gevangenis terecht. (zie: Personen-Sippe Baukes Elzinga)Van der Veen zal de boerderij in opdracht van notaris Feenstra aangekocht hebben want in 1884 wordt hij de nieuwe eigenaar, misschien ziet hij op deze manier iets van zijn lening aan Sippe Baukes terug? Notaris Feenstra was een belangrijk (en berucht?) man in die jaren, want omdat er in die tijd eigenlijk nog geen (boerenleen)banken waren, was de notaris in onze omgeving de man waar men heen ging om geld te lenen of in bewaring te geven. Door de slechte economische omstandigheden van de jaren tachtig konden veel boeren het hoofd niet boven water houden en zo kwam de notaris in het bezit van meerdere huizen en boerderijen.1888. De notaris pleegt bijbouw naast de bestaande boerderij. Mogelijk waren dat kleine huisjes die tussen het stjelpke en de weg hebben gestaan. Ze zijn intussen afgebroken maar in het voorjaar wijzen narcissen, na al die jaren, nog de plek aan waar ze gestaan hebben!1913. Dit is een belangrijk jaar voor Sippenburch want het stjelpke wordt niet meer voor bewoning gebruikt maar zal voortaan dienen als schuurtje of opbergruimte, ook hebben er wel paarden in gestaan. De stjelp wordt afgebroken en een nieuwe grotere stjelp wordt op dezelfde plek opgericht: dat is de stjelp die in 1988 weer wordt afgebroken, zoals hierboven vermeld.De notaris en later zijn nakomelingen blijven steeds eigenaar en hebben vele huurders van Sippenburch gehad. Pas in 1953 verkoopt de familie Feenstra de stjelp.1953. In die jaren zocht de Friese Mij om een geschikte plek om het areaal van hun kweekbedrijf uit te breiden naast hun kweekbedrijf in Ingelum. Ze vonden die plek in de bouwlanden van de Dongeradelen en daarom kochten ze de woning van de notaris, bestemd voor bedrijfsleider Auke van der Wal. De Friese Mij had destijds 60 HA grond in deze omgeving en daarom werd hun nieuwe kweekbedrijf in de jaren zestigvan de vorige eeuw op Ropta gebouwd.1988. Na het afscheid van Durk Swart, die 22 jaar bedrijfsleider was geweest, werd de woning voor de bedrijfsleider gebouwd die er nu staat: het stjepke moest het veld ruimen, verbouwen was onbegonnen werk en zou veel geld kosten. Zo ontstond het complex van bedrijfswoning met de vele bijgebouwen op Sippenburch. Bewoners van Sippenburch: 1876   Sippe Baukes Elzinga    1880   Bauke Sippes Elzinga    1880   Gosling Jans Veldema    1880   Steven van der Meulen    1887   Gerrit Jacobs van der Wagen    1907   Jochum Roelofs Beetsma    1941   Jacob Jochums Beetsma    1953   Auke van der Wal    1966   Durk Swart    1988   Durk Seepma



Nomineer een onderwerp voor deze dorpscanon