Een vergeten plekje in NOF-1


Een vergeten plekje in NOF-1
© Foto voorblad: Reinder Tolsma, gepubliceerd onder de licentie/disclaimer: Met toestemming van de rechthebbende

In een nummer van Vanellus, het blad van de Friese Vogelwachten, stond een artikel over ‘Een vergeten plekje in Frieslands uiterste noorden’, geschreven door Martinus Roorda, zoon van Philippus Roorda, hoofd van de christelijke school in ons dorp. Martinus zou zelf jarenlang hoofd van de school in Nijbeets worden.
Martinus was een gevoelig man, romantisch van aard, met een grote liefde voor de natuur. Hij beschrijft in dit artikel de omgeving van Sjoarde waar hij zelf vaak rondzwierf. We nemen dit artikel (gedeeltelijk: (…) op in ons dorpsarchief omdat het een mooi beeld geeft van hoe de streek tussen Easternijtsjerk en Peazens er rond 1900 uit zag (door de ogen van een jongeling!)

O, wat was het er heerlijk schoon (= mooi, RT), en wat heeft het op mijn jeugdig gemoed een onvergetelijken indruk gemaakt, dat idyllische plekje midden in de ruime Noord-Friese bouwlanden tussen Ooster-Nijkerk en Paesens. Het was de omgeving van een oude terp. Sjoorda of Sjoordema geheten, waar in verleden eeuwen het adellijke geslacht van dien naam had gewoond. De grachten rondom die oude terp waren gedeeltelijk gedempt. Van het oude slot op de kruin was destijds weinig meer over dan een oude groote kamer met dikke muren van ‘oude Friezen’, hier de benaming van roode Friesche moppen; het waren nog van die hele groote. Thans is ook dit laatste restant van een eeuwenoud bouwwerk gesloopt en door een nieuw huis vervangen.
Eén van de merkwaardigheden van deze historische omgeving was ook, dat er om de groote terp een krans van kleinere terpen lag. Blijkbaar zijn deze in vergane tijden alle bewoond geweest. Men vond er nog veel steen in den bodem. Er was in mijn jeugd omstreek 1900, al veel geslecht en gedempt en afgegraven; maar ook hier zag men duidelijk aan het reliëf van den bodem de aanwezigheid van vroegere grachten zich aftekenen. Dit oude riddergoed lag op enkele honderden meters afstand van een oude natuurlijke waterloop, de Oude Paesens of Donge, die zich kronkelde met vele groote en kleine slingeringen van Dockum naar Paesens en daar tot voor een paar eeuwen in de Waddenzee uitliep. Op de oude mooie kaart in ‘Tegenwoordige Staat van Friesland’ staat nog bij den mond de benaming: ‘Paesens verstopt’. Ik herinner me nog, dat het laatste gedeelte van dit water gedempt werd (Yn de buorren fan Peazens tusken de Doarpsstrjitte en de Seedyk, RT). Met dit gekanaliseerde oude rivierke dan, hetwelk de grens vormde tusschen de beide landbouwgemeenten Oost- en Westdongeradeel, was Sjoorda door een korte opvaart verbonden. Langs deze opvaart liep een ‘reed’, een oude kleiweg. En waar nu die opvaart eindigde, dus vlak bij het oude Sjoorda, daar was een kruispunt van zulke kleiwegen.

Eén van de vier armen is reeds aangeduid. De tweede vormde het verlengde ervan en liep voorbij Sjoorda naar de grindweg van Ooster-Nijkerk naar Paesens (=de Langgrousterwei, RT). Deze weg is thans ook verhard, maar was in mijn tijd ook nog een kleiweg. Doch geen gewone. Reeds de plantengroei toonde aan, dat men niet te doen had met taaie kleigrond, maar met zavelgrond. De roode oogentroost met het gedoornd stalkruid en de gewone oogentroost met de wilde boekweit waren in dit opzichtwelsprekend genoeg. Ook stond in de omgeving van de viersprong heel wat struikgewas, van ‘hagedoorns’ of meidoorns, esschen, iepen, elzen, wilgen en een enkel berkje. Overigens was de omgeving vrij kaal. Alleen bij de boerderijen in wijderen omtrek zag men hoog opgaand geboomte, van iepen, populieren, wilgen en esschen. Verder vond men op die boerderijen nogal wat linden en vruchtbomen, bijna uitsluitend appels en peren (…)

Zoo was er een groot weiland, de ‘âlde tsiene’, dat in de tweede helft van Mei en in Juni steeds uitmuntte door een rijk gevariëerd kleurenschoon. Daar groeiden in overvloed en harmonische proportiën de bruinroode zuring en de gele boterbloem; de hemelsblauwe eereprijs en de zachtgele ratelaar; de roseroode koekoeksbloem en de groote witte ganzebloem. Dat groote weiland was in mijn oogen een prachtschilderij, waarvan ik de kleurenschoonheid met volle teugen indronk. Men hoorde er het snorren der opvliegende patrijzen zoowel als het ‘kwikmedit’ van den kwartel. Men zag er soms den grooten velduil rondzweven, rustig op verkenning uit en misschien een jong haasje verschalkend, dat in zijn leger zat.
(zie verder deel 2)

Colofon

De Doarpsskille 1982-4

© Tekst: Erthee
Lês mear

Relatearre ynformaasje


OnderwerpenFoto’s