Er zullen niet veel Easternijtsjerksters zijn die hem nog kennen: Dirk Bosch, zoon van Frans en Anna Bosch, woonachtig op Bollingwier. Ze woonden sinds 1938 aan de Bartenswei, eerst op nummer 4, sinds 1940 op nummer 1. Dirk ‘sutelde’ in zijn jonge jaren met klompen, touwen en allerlei ‘boere-ark’ langs de streek met zijn bakfiets, zie de foto.Toen hij 18 jaar werd moest hij in dienst en was hij o.a. gelegerd in Hardenberg. Daar was hij bij het 9de grensbataljon. Toen zijn diensttijd was afgelopen kwam in de zomer van 1939 de Mobilisatie, hij is eigenlijk nooit weer thuis geweest. Toen de oorlog in mei 1940 uitbrak heeft hij met gevaar voor eigen leven een brug laten springen. Hij is niet oud geworden, overleed in 1941 aan tbc in het sanatorium in Appelscha. Na zijn overlijden ontving de familie enkele bijzondere herinneringen aan Dirk: een brief van zijn commandant, het officiële rapport van zijn moedige daad en zijn dagboek waarin hij de gebeurtenissen op de 10de mei beschrijft. Een gedeelte van zijn verslag wordt hieronder weergegeven.
Oorlog 1940.Het was den 9e mei 1940. Alles was bij ons aan de grens tamelijk rustig. Eenige dagen tevoren hadden we bericht gekregen dat de algemeene toestand weer was verergerd en daarop waren alle militaire verloven ingetrokken. Bij ons, grensbewakers, waren direct de noodige voorzorgsmaatregelen getroffen.Onze brug, die ongeveer 300 meter van de Duitsche grens was gelegen, werd weer van ladingen trotyl voorzien en geheel klaar gemaakt om hem te laten springen als dit nodig mocht zijn. Op den weg, welke toegang gaf tot de Duitsche grens, waren versperringen geplaatst. Bij elke brug stond een schildwacht, die er voor te waken had, dat er zich niemand in de nabijheid van de brug ophield. In de lucht hing de spanning, doch wij merkten dat niet. Voor ons, militairen, werd het al min of meer gewoonte, daar wij reeds een jaar wacht hadden gehad aan de grens en reeds tallooze malen in stelling waren geweest vanwege het één of ander alarm.Ook op 9 mei dachten we, dat er niets aan de hand was, tenminste we deden alles wat we gewoonlijk deden, om, als er iets kwam, toch klaar te wezen. Dien avond gingen we, zooals gewoonlijk, naar bed. Er was niets voorgevallen waarover we ons ongerust behoefden te maken. De daarop volgende nacht was het zeer levendig in de lucht. Tallooze malen schonden vliegtuigen onze neutraliteit door moedwillig boven ons land te vliegen. De volgende morgen (het was toen 10 mei) werden we om half drie gewekt door een motorordonans, die het bericht bracht: Uiterste gevechtswaardigheid.Wij moesten dus opstaan, doch doordat wij al zo vaak alarm hadden gehad, dachten we, dat er nu ook weer niets loos zou wezen. Zoodoende bleven we liggen tot even voor half vier. Om die tijd stond ik als eerste op, want ik was toen korporaal en ik moest de munitie enz. nazien en alles in orde maken. Toen ik me aangekleed had en naar buiten ging, stonden ook de andere manschappen op. In de lucht ronkte het onophoudelijk van vliegtuigen en boven ons zagen we hele eskaders Duitsche bommenwerpers en jachtvliegtuigen. Nog kwam het niet in me op, dat dit oorlog betekende, daar ik in de waan verkeerde dat dit allemaal tegen Engeland gericht was. Door het gehucht (Heemse), waarin wij gelegerd waren, liep een spoorbaan naar een dorp, dat ongeveer drie kilometer verwijderd was. Ineens hoorde ik mitraulleurgeratel in dit dorp en toen pas drong het tot me door dat die vliegtuigen wel eens wat anders te beteekenen konden hebben. Op die spoorlijk gekomen zijnde, zag ik in de richting van de Duitsche grens, welke gemakkelijk te zien was van dat punt. Op ongeveer 500 meter afstand zag ik door de daar staande boompjes en struikgewas een heele rij donkere gedaanten opdoemen, welke vaag zichtbaar waren door de morgenmist welke laag over het veld hing. Onmiddellijk schoot het door mijn gedachten dat we in oorlog waren met Duitschland.
Onze commandant, een vaandrig, was bij een boer ingekwartierd en was nog maar net op. Twee onderofficieren stonden op een brug op eenige afstand. Op hetzelfde ogenblik dat ik de Duitsche soldaten zag naderen, greep ik mijn geweer en loste twee schoten in de lucht ter waarschuwing voor mijn kameraden en m’n commandant.Een andere post van 10 man, welke ongeveer een kilometer naar links van ons was gelegerd, eveneens bij een brug, werd door de vijand beslopen. Op een gegeven oogenblik hoorden we schieten en klonk een luid hulpgeroep ons in de ooren. Zooals later bleek, was deze post totaal door de Duitschers overrompeld en velen vonden een eervolle dood.Ook een post, welke eenige kilometers meer naar rechts was gelegerd, aan de rand van een groot Duitsch bosch, onderging hetzelfde lot. Hier sneuvelden alle 20 manschappen. Onze mannen, ongeveer 15 in getal, hadden zich inmiddels gekleed en kwamen in allerijl naar de spoorbaan toegelopen. Op mijn bevel namen 4 man stelling achter twee lichte mitrailleurs en de overigen verspreidden zich op eenigen afstand aan weerszijden hiervan.Éen onderofficier kreeg de opdracht om de meest rechtse brug de lucht in te laten vliegen, ter wijl de andere sergeant met mij meeging naar de brug, welke het meest dichtbij de grens gelegen was. De vaandrig had op het hooren van ons schieten snel eenige bagage op de fiets gegooid en was alleen teruggetrokken zonder de leiding aan een sergeant of anderen te hebben overgegeven en zonder bevelen te geven.Toen ik met dien sergeant bij de brug kwam, stuurde ik de schildwacht naar de andere jongens met de opdracht niet eerder terug te trekken dan de bruggen vernield waren. Hierop ging de sergeant naar een in de nabijheid gelegen boerderij om de bewoners te wekken en om windlucifers te halen welke voor het aansteken van de brug noodzakelijk waren en die zich in de schuur bevonden. Ondertussen liet ik de brug zakken om de daartegenover wonende menschen te waarschuwen. Dit deed ik door met de kolf van het geweer op de ramen te slaan.In dien tijd, alles had slechts enkele minuten geduurd, waren de Duitsche soldaten tot aan onze versperring genaderd, waarop onze soldaten het vuur openden op hun tegenstanders. Enige Duitschers beten hierdoor in het zand. Daarop begon het lieve leven pas, want de Duitschers schoten met alle nun bestaande middelen terug.Dit was dan ook de tijd, waarop ik weer over de neergelaten brug liep en hem daarna weer in de hoogte draaide. Ook de sergeant kwam in looppas weer uit de boerderij weg en gooide mij een doosje windlucifers toe. Hij riep mij nog toe: ‘Ik ga er vandoor, want het wordt mij te erg.!’ Toen ik evenwel het doosje opende, bleek mij dat het enkel nog half vergane lucifers bevatte. Door zijn groote zenuwachtigheid had de sergeant een verkeerd doosje genomen en dat zonder opzet aan mij gegeven. Na eenig zoeken vond ik in één van mijn zakken een doosje gewoone lucifers en hiermede probeerde ik mijn opdracht nog uit te voeren. Doch de Duitsche soldaten waren intusschen op ongeveer 50 meter van mij genaderd en toen ze mij opmerkten kreeg ik een salvoo kogels in mijn richting, zonder dat ik geraakt werd. Gelukkig kon ik mij enigszins dekken achter een hoopje zand ter hoogte van 75 centimeter. Nogmaals probeerde ik het slagsnoer met vuurkoord aan te steken doch telkens mislukte dit door te weinig hitte van de gewone lucifers. Plotseling kreeg ik een volle lading kogels op het slagsnoer op een meter afstand van me. Daardoor werd ik als het ware in een regen van opstuivend zand gehuld, zoodat mijn oogen bijna verblind werden. Toen pakte ik het gehele doosje met lucifers en stak het aan waarop ik het vuurkoord er bovenop wierp en daarna kroop ik eenige meters terug. Nauwelijks had ik dat gedaan of wederom bedekte een regen van kogels het snoer en vlogen stukken zand me om de ooren. Toen ik merkte dat het vuurkoord was begonnen te branden, stond ik op en liep snel door een droge sloot, daarna over een weg en een eindje verder dekte ik me achter een kromming in de weg in de berm op een afstand van ongeveer 25 meter van de brug. Dit alles had slechts in eenige seconden, welke mij wel uren leken, plaats gevonden.Toen ik mij oprichtte om naar de brug te kijken zag ik, dat eenige Duitsche soldaten juist aanstalten maakten om over de brug te trekken. Op ongeveer 15 meter van de brug stonden 4 man om er over te trekken, doch terwijl zij dit wilden uitvoeren, sprong de brug.Een moment vluchtten de Duitschers vanwege de knal en hiervan maakte ik gebruik om op mijn fiets, die in de onmiddelijke nabijheid lag, te springen. Toen klonk er een commando van een Duitsche onderofficier en toen ik daarop omkeek, trof een vijandelijke kogel boven op mijn helm. Doch doordat deze rond was, ketste hij af.
NaschriftDirk bereikt de plek waar de vrachtauto’s staan die de soldaten afvoeren, onderweg werden nog meer bruggen vernield en voordat ze de IJssel overstaken, staken ze alle vrachtauto’s, personenauto’s en motorfietsen in brand om ze niet in handen van de vijand te laten vallen.Hij merkt nog op dat er twee bruggen in hun regio vernield werden, maar dat de middelste, een hele belangrijke, niet sprong hoewel het zeker was dat de brug op de juiste manier van lading was voorzien. Precies zo’n brug verderop sprong ook niet en Dirk denkt de oorzaak te weten, maar hij schrijft:‘Er is een andere oorzaak geweest, doch daarover zwijg ik.’(waarschijnlijk duidt Dirk hier op verraderswerk)