Personen – Jan van der Lei, motorcoureur


Personen – Jan van der Lei, motorcoureur
© Foto voorblad: Otto Kuipers, gepubliceerd onder de licentie/disclaimer: Met toestemming van de rechthebbende

De familie Van der Lei kwam oorspronkelijk uit Moddergat, het waren vissers.  Maar aan het einde van de 19e eeuw was de opbrengst in de visserij slecht.  Mogelijk dat dat de reden was dat Jan en Leentje van der Lei-Woudwijk in 1899 naar Easternijtsjerk verhuisden waar ze een handel in landbouwproducten, als aardappelen, veevoeder en kunstmest, begonnen. Zij woonden ???? 


In 1921 werd de inschrijving van bedrijven bij de Kamer van Koophandel verplicht en werd door de broers Cornelis (Kees) en Monte (spreek uit Moente) de handelsnaam ‘Gebr. Van der Lei’ gekozen. Hun in 1921 naar Mitselwier verhuisde broer Pieter had inmiddels een eigen ‘Handel in landbouwproducten’. Deze Pieter was in 1916 getrouwd met Fetje Tilkema, dochter van de Easternijtsjerkster brievengaarder Tjeerd Tilkema. Hun eerste zoon werd op 27 augustus 1917 geboren. Dat was Jan, genoemd naar zijn opa, die in zijn geboortestreek beter bekend was als Jan Lei, de motorcoureur. 
Vader Pieter was een van de vele aardappelhandelaren in de Dongeradelen en ondanks dat hij slechts 4 jaar onderwijs had genoten wist hij een bloeiend bedrijf op te richten: ‘Hy spruts gjin wurd Dúts, mar wist wol hoe’t er de Kartoffeln oan de buorlju ferkeapje moast’. 

Door de vele handelsactiviteiten veranderde ook hun kijk op de wereld waarin de techniek een steeds grotere rol begon te spelen. Kees van der Lei ging bijvoorbeeld voor de oorlog al met de auto op vakantie naar Zwitserland en zijn dochter Fokje behaalde in 1929 als 18-jarige al het rijbewijs!
Ook Jan van der Lei stond niet afwijzend tegenover de nieuwe technische mogelijkheden. Hij zal na de lagere school bij zijn vader in het bedrijf zijn begonnen en hij zal al gauw achter het stuur van een auto of motor hebben gezeten. Er zijn verschillende verhalen bekend van de rijkunsten van Jan van der Lei: ‘Wy stiene mei de mûle iepen as Jan foarby strûpte.’ Als Jan in Mitselwier volgas de Stationsstraat doorreed kropen de mensen achter de bomen. Volgens meerdere getuigenissen zou hij op de Hearrewei tussen Dokkum en Eanjum zo nu en dan met permissie hebben mogen trainen. Een mooie bochtige weg. ‘As se my oankommen hearden, giene de minsken oan ‘e kant, se wiene bang dat ik my te pletter ride soe. Sels bin ik nea bang west.’ Ook inwoners van Easternijtsjerk pakten de fiets en reden naar de Wetsensertille als bekend was dat Jan van der Lei daar langs zou komen tijdens een training.

Het is niet bekend of Jan ook voor de oorlog al aan wedstrijden heeft meegedaan, het ligt wel voor de hand. Hij was namelijk tijdens een van zijn trainingen nog iemand tegengekomen die aan het racen was. Toen ze allebei even stopten op het treinstation in Eanjum maakten ze kennis met elkaar en deze kennismaking was het begin van een lange vriendschap. Het was Sieb Postma, in 1935 en 1936 als monteur en chauffeur in dienst bij het busbedrijf van Eelze Weidenaar in Easternijtsjerk. Hij had in 1935 en 1936 wel meegedaan aan de TT in Assen en daar zullen ze het vast wel over hebben gehad. (zie voor hem ‘Personen – Sieb Postma).
Jan gebruikte ook de driehoek oostelijk van Mitselwier om te trainen: eerst van Mitselwier richting Dokkum, eerste afslag naar Nijewier, om Nijewier heen terug naar Mitselwier. Ook de bochtige weg tussen Mitselwier en Easternijtsjerk was iedere keer weer een uitdaging. Hij vertelde trots dat hij de afstand Mitselwier-Leeuwarden in 20 minuten kon afleggen.
Na de oorlog was Jan bij het eerste de beste raceseizoen (1947) wél van de partij. In Etten Leur startte hij, 30 jaar oud, op zijn Excelsior bij de junioren in de 250 cc-race en werd direct derde, maar wel 4 minuten achter de eerste twee! Door pech op de training kon hij niet meedoen op de TT van 1947, maar bij de race op het vliegveld van Leeuwarden stond hij wel aan de start. Na een rondenlang gevecht met Breedijk legde Jan de motor in de laatste ronde iets te plat, de tenen raakten de grond. ‘Dan slút je it gas efkes ôf’ en zo was hij de aansluiting bij Breedijk kwijt die gemakkelijk won. In het naseizoen kwam hij nog wel aan de start in ’t Zand en in Weert: hij won beide races!
Zijn ouders waren aan de ene kant trots op hun zoon en waren ook bereid om financiële offers te brengen. Zo ging tijdens een race het motorblok kapot en liet men een nieuw motorblok uit Engeland komen, kosten f 3000,-! Maar er was ook een andere kant. Toen Jan na één van zijn ongevallen in het ziekenhuis belandde, kreeg hij bezoek van zijn vader. Eén van zijn benen was opgetakeld met een katrol en uiterst gevoelig. Met opzet stootte Pieter tegen het bed en Jan verging van de pijn, waarna zijn vader hem toebeet: ‘No kinst ris fiele watst ús (geastlik) oandien hast’.’
In 1948 kon Jan starten in de seniorklasse, maar behalve een vierde plaats in Tubbergen is er, naast enkele klinkende overwinningen, weinig informatie te vinden over zijn racecarrière. Wel over zijn rijstijl! ‘Dêr giet dy idioat ek wer, dy rydt him nochris te pletter’, werd vaak gezegd. Een getuige uit Hantum vertelt: ’Hy kaam as in gek út de rjochting fan Ternaard it doarp yn fleanen. Dat koe net goed gean. Hy fleach oer it puntige stek foar de pastorij en kaam yn de tún telâne’. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ouders hun kinderen waarschuwden gauw een veilig heenkomen te zoeken als ze Jan van der Lei op een motor of in de auto zagen of hoorden aankomen.
In 1949 zou Jan zich goed voorbereiden op het nieuwe raceseizoen: hij ging naar de voorjaarstrainingen in Zandvoort. Maar wat het begin van een nieuw raceseizoen had moeten worden, werd het einde van zijn motorsportcarrière. De Nieuwe Dokkumer Courant schrijft dat de stuurinrichting defect raakte. Dat gebeurde bij het nemen van een bocht. ‘Renner en motor die op dat moment een snelheid hadden van 160 km kwamen in het boomgewas terecht. De gevolgen lieten zich eerst ernstig aanzien. Beide benen en een arm waren gebroken. Een tak van het geboomte was dwars door laars en been heen gedrongen’. 
Tegen een getuige zei hij later: ‘Beammen knapten ôf, se doarsten my earst net iens op te reagjen. Doe’t ik op de operaasjetafel wekker waard, sei de dokter tsjin my: ‘Jo hawwe 115 oeren op ‘e operaasjetafel lein, se hawwe jo tusken de beammen weihelle’. Volgens overlevering werd hij overgebracht naar het ziekenhuis in Haarlem waar hij zo’n acht maanden zou hebben gelegen. Het verhaal wil dat hij met heimwee, hangende in netten, vervroegd naar Leeuwarden werd vervoerd. Dat wat menigeen voor onvermijdelijk had gehouden was gebeurd. Hij had het overleefd, maar zijn leven lang zou hij getekend zijn door die valpartij op zaterdag 2 april. Met name het lopen zou altijd lastig blijven.

Colofon

Tekst van Otto Kuipers, medewerker Tresoar, in 1996. 
Bewerkt in 2026 door Reinder Tolsma. 

© Tekst: Erthee
Lês mear

Relatearre ynformaasje


Foto’sDokuminten