Een vergeten plekje in NOF-2
Dit is het tweede deel van het verhaal dat Martinus Roorda in ‘Vanellus’ had geschreven. Hij was de zoon van hoofdmeester Philippus Roorda die rond 1900 schoolhoofd van de christelijke school in ons dorp was. De pake en beppe van Martinus waren Durk Zwart en Grietje Meindersma die op de boerderij aan de Grytsjewei woonden waar nu Johannes Wijma boert. Hij kwam daar geregeld en gaf zijn ogen onderweg goed de kost, zo blijkt uit zijn verhaal dat hij in 1943 schreef.
Wat is er dan veel veranderd!!!
De andere kleiwegen, die van den viersprong bij Sjoorda uitgingen, verloren zich in de landerijen. Langs de eene weg kon men, dicht langs de Donge, naar Oosternijkerk komen; en langs de andere ging het pad naar Paesens. Daarbij passeerde men menig vlondertje, dat hier niets anders was dan een enkele plank over een sloot; en nu en dan moest men over een punthek of ‘pindamke’ klimmen. En dan was er nóg een ‘reed’, een kleiweg, die evenwijdig aan de vorige eveneens naar Paesens leidde. En juist nu het gebied van deze bouwland-‘paden’, de greate en de lytse paden genaamd, was vol van een weelderig natuurschoon. In den gouden zonneschijn, dan kon dit in de winter zoo sobere en harde landschap worden tot een felle kleurenzee, waar goudgele koolzaadvelden en wonderblauwe vlasakkers afwisselden met den verschillende tinten groen. Eenmaal zag ik zelfs een cultuur van het schitterende roode vlas, als gevolg van een accoord van den landbouwer met den zaadhandelaar. Van de terp af gezien leek het wel een vuurrood meer te midden van de donkergroene aardappelen en het gelende graan.
In de heldere sloten, die op de Donge uitliepen, en waar men in den zonneschijn door het kristalheldere water heen tot op den bodem kon zien, zwommen de scholen van baars en van pos, van witvisch en rietvoorn; en stond de gevlekte snoek, de panter onzer zoetwateren.
In die mooie omgeving lag vroeger het oude Sjoordaslot, bewoond door het geslacht Sjoorda of Sjoordama. Voor zover mij bekend geworden is, heeft men niet veel bijzonders gevonden in deze omgeving, dat oudheidkundige waarde had. Wel was er nog de bijzondere groote kelder, die aan het oude slot heeft behoord. En ook vond men nog al eens een oude munt, meestal een koperen duit, maar ook nog wel eens een zilveren munt, blijkens het opschrift afkomstig uit den Spaansen tijd. Wat echter als nalatenschap der vroegere kasteelbewoners kon gelden, dat waren enkele planten, zeer waarschijnlijk uit den slottuin ontsnapt. Zoo was het en zoo ervoer ik het in mijn jeugd, omstreeks 1900. Doch toen ik er, omstreeks 1935, nog eens terugkwam, om de schone omgeving nog eens opnieuw op mij in te laten werken, TOEN WERD IK WREED TELEURGESTELD.
De menschen van vroeger! Grootendeels verdwenen! De mooie oude kleiweg langs Sjoorda: verhard! De voorakkers der landerijen: grootendeels van hun schoonheid beroofd! De slooten: schoongemaakt en kaal ‘geslat’! De oude slottuinplanten: geheel verdwenen! De vogelwereld: erg verarmd!
De verbeterde cultuurmethoden; de dichtere bevolking; het vandalisme der jeugd, zelfs der ‘studerende’ jeugd; de drainering der landerijen; de verbetering der wegen; de nieuwere landbouwwerktuigen; het gebruik van kunstmest; zij hebben allen het hunne bijgedragen om het mooie oude landschap, dat in mijn jeugd er nog vrijwel heenlag als voor eenige eeuwen terug, van zijn poëtische bekoring, van zijn geheimzinnigheid en van zijn verborgen schoonheid en van zijn verborgen schoon te beroven. En dat deed mij pijnlijk aan!
Eén troost staat daar tegenover: menschen vallen weg – Gods natuur verarmt – maar éénmaal zal God alle dingen wederherstellen, in volle ongerepte schoonheid, op de nieuwe aarde, waar de mensch als tolk der schepping zijn God eeuwig zal verheerlijken!
Nieuw-Beets, Juli 1943.
Colofon
De Doarpsskille 1982-4

