Berghuistra/Pasumwal (Berchhuzen 7)
De geschiedenis van deze boerderij staat de laatste 60 jaar vooral in het teken van branden. In 1962 was de brand zo verwoestend dat de gehele boerderij, destijds een monumentaal kop-hals-rompmodel, afbrandde en alle 26 koeien in het vuur omkwamen. Bij de brand in 1981 kon het woongedeelte van de nieuwe kop-hals-romp behouden blijven maar moest er een geheel nieuw bedrijfsgedeelte worden opgebouwd. Omdat het vee in de wei liep ontkwam dat aan het vuur. Bij beide keren had de brandweer veel last van nieuwsgierige toeschouwers die de doorgang op het smalle weggetje naar de boerderij bijna onmogelijk maakten.
Oudst bekende boer op deze boerderij was Douwe to Berc Huijsen die in 1511 genoemd wordt. De boerderij was 22 pondemaat groot en eigendom van het vrouwenklooster Sion in Nijewier. Door deze omstandigheid zijn in de kloosterarchieven nog een aantal huurders (meiers genoemd) bekend geworden. Zo was in 1560 Sijmon Roelofs de huurder en in 1580 als de Friese Staten zich vanwege de Reformatie het kloostergoed toe-eigenen is hij dat nog steeds. Hij neemt de 12 pm die zijn buurman Frans Wopkes van het klooster huurde over en daarna zal de boerderij steeds 36 pm groot zijn (12 + 22!).
In 1618 is Goffe Johannes de huurboer en zijn nageslacht (de Stinstra’s) zal tot 1760 deze boerderij in gebruik hebben, eerst dus als huurder, maar in 1640 als eigenaar (de Friese Staten hadden geld nodig voor de strijd tegen Spanje en verkochten het kloostergoed).
In 1760 koopt de grietman van Oostdongeradeel, Anthony D’Arnaud, de boerderij voor 10.000 cgulden. Tjerk Opts wordt dan de huurder en die blijkt een goede boer te zijn want hij begint met 5 koeien en drie paarden en 28 pm bouwland, maar heeft in 1770 al negen koeien. Maar in datzelfde jaar blijft daar maar één koe van over! Het is het jaar van de veepest en hij zal zijn koeien daaraan hebben verloren. Hij is niet de enige want er zouden dat jaar in Fryslân maar liefst 97.756 koeien aan de veepest sterven! Tjerk moet opnieuw beginnen maar lijkt zich wat meer op bouwland te richten. Zo gebruikt hij in 1795 voor zijn vijf koeien en vijf paarden 55 pm land, waarvan 34 pm als bouwland. In 1797 gaat hij met ‘pensioen’, hij stopt met boeren en laat een huisje bouwen op Trijehuzen in het dorp. De hoogste huur die hij voor zijn boerderij moest betalen was 400 gulden. Ook de boeren die na hem komen moeten allemaal huur betalen want Berghuistra is een echte huurboerderij. Tot de Franse tijd lag er op deze boerderij het stemrecht in dorps-, kerk- en gemeentezaken; het bezit van deze stemmen was belangrijk om macht uit te kunnen oefenen. Dat is duidelijk te zien aan de eigenaren tot de Franse Tijd want daarna was het gebeurd met het stemrecht:
1760 Anthony D’Arnaud (grietman)
1791 Johannes Casparus Bergsma (probeerde jarenlang grietman te worden door boerderijen op te kopen)
1810 Age Looxma (rijke olieslager, eigenaar Stania-state)
In tegenstelling tot veel andere regentenfamilies, die na de Franse Tijd de boerderijen weer verkopen als geldbelegging, verkopen de Looxma’s de boerderij Berghuistra niet. Tot 1952 als de verzekeringsmaatschappij AEGON de boerderij overneemt, is er steeds een Looxma of aangetrouwden van de Looxma’s (zoals Van Sminia, Van Welderen Rengers) eigenaar van Berghuistra.
De meeste boeren zullen het goed met de eigenaar hebben kunnen vinden, gezien de lange tijden dat ze huurboer kunnen blijven:
1849 Kornelis Ypes Botma
1869 Wopke Ypes Botma
1879 Johannes Johannes Hoogland
1880 Jentje Johannes Hoogland
1886 Jacob Eelkes Holwerda
1905 Livius Imius Sevenster
1920 Imius Sevenster
1934 Fokke Ates Noordenbos
1942 Jacobus Martinus Noordenbos
1980 Boele Terpstra
Na zoon Piet Terpstra wordt de boerderij niet meer als zodanig gebruikt en is er nog maar één echte boerderij op Berchhuzen (van de familie Gerrit B. Brouwer, zie Boerderij Berchhuzen 9).
De familie Sevenster komt ook voor op de boerderij Foalsum Sate. Daar neemt de verwante familie Slim de boerderij over en Fokke Noordenbos, getrouwd met een dochter Sevenster, wordt de nieuwe boer op Berchhuzen.
De oude naam van de boerderij is Berc Huijsen, maar al in 1640 komt de naam Pasumwal voor. Die naam ligt voor de hand voor deze boerderij, gelegen aan de rivier de Peazens. De boer kon de Peazens oversteken dmv van het ‘Nammenset’. Deze naam lijkt afkomstig van Nammen Willems, huurder van de tweede boerderij op Berchhuzen.

